Een herschreven passage uit mijn boek

Ik sta voor een hels karwei. De structuur van mijn boek staat, de verhaallijn klopt, ik weet precies wat ik wil vertellen. Ik zou het zo uit kunnen geven. Maar ik heb nog stappen te maken in de manier waarop ik het vertel. De proefcursus heeft me het inzicht gegeven iets te laten zien, in plaats van het te vertellen. Daar wil ik in mijn manuscript mee gaan experimenteren, want ik vertel nogal graag. Regel voor regel ga ik mijn tekst nalopen en indien nodig, herschrijven.

Genoeg schrijversgeneuzel, ik zal dit tastbaar maken. Kort de setting: de hoofdpersoon zit op een warme zomerdag in het raam van zijn benedenwoning, en kijkt naar buiten. Onderstaande passage stond op de derde pagina in mijn manuscript:

Een jonge vrouw haalde hem uit zijn gedachten. Ze zuchtte door de kennismaking met een briesje, waarschijnlijk net genoeg om haar voor een moment de warmte te doen vergeten. Ze was een mooie verschijning, vond hij. Ze draaide haar hoofd en legde een lok achter haar oor, terwijl ze verlegen in zijn richting lachte. Hij vond dat ze nu nog knapper was. Hij had een hekel aan vettige lokken, het maakt vrouwen ordinair.

De herschreven versie:

Plots ging hij rechtop zitten. Een jonge vrouw zuchtte door de kennismaking met een briesje, ze leek de warmte voor even vergeten. Hij vroeg zich af of hij slapers in zijn ogen had, of zijn ochtendkrul recht omhoog stond. Hij ging met zijn hand door zijn haar. De jonge vrouw legde een lok achter haar oor. Het was alsof er stof van een stuk goud werd geblazen. Ze keek hem aan, en lachte. Het was een glimlach. Zo een waarbij haar lippen elkaar maar heel even loslieten. Net lang genoeg.

Wat ik met de herschreven versie probeer te bereiken, is dat jij als lezer ervaart dat de hoofdpersoon de jonge vrouw een mooie verschijning vindt, zonder dat ik dat specifiek benoem. Aan mij de kunst dit goed over te brengen.

Uiteindelijk zal ik een balans moeten vinden tussen laten zien, en vertellen. In het vervolg van de scène gaat de hoofdpersoon naar de keuken om iets te eten. Ik benoem gewoon dat hij honger heeft, in plaats van te verzanden in overdrijvingen dat zijn maag knort zoals het nog nooit heeft gedaan. Show the essence, tell the story, las ik afgelopen zondag op een schrijversblog. Vanuit die gedachte dus. Deze bewustwording, en hier op zins- en scèneniveau keuzes in gaan maken, is een mooie uitdaging. Ik laat dan ook alle deadlines die ik met mijzelf heb afgesproken, los. Maar ik heb er enorm veel zin in, want ik wil dat jullie mijn boek zo goed mogelijk gaan beleven.

Misschien is een hels karwei, dan ook geen goede benaming. Hemels karwei?

Iets daartussenin.

Ik ging naar het Murakami-weekend

Hoe langer zijn werk, hoe beter. Mijn blik verstarde, ik kneep bijna mijn plastic beker met pils fijn. Ik stootte Zufan aan, maar zij was aangesproken door haar buurman. Ik keek schuin naar achter en ontmoette de blik van de vrouw die dat zojuist gezegd moest hebben. Haar buurvrouw was nog steeds instemmend aan het knikken. Mijn ogen gleden verder over de zaal. Als Murakami een voetbalclub was geweest, had iedereen in tenue gezeten, inclusief sjaal en petje.

Een korte introductie: Haruki Murakami is een Japanse schrijver, en het schijnt een kwestie van tijd te zijn voordat hij de nobelprijs voor de literatuur gaat winnen. Ik houd van zijn schrijfstijl, heb een aantal boeken gelezen. Drie om precies te zijn. Toen ik aan het begin van de avond aangesproken werd door een NRC-journalist waren het er ineens zes, mede door de drank, maar ook omdat het Murakami-virus als een ongekend fenomeen over de ss Rotterdam raasde en me in mijn greep hield. Ik waande me een groter fan, dan ik daadwerkelijk ben, en schaamde me er ineens voor dat ik er nog maar drie gelezen had.

In ieder geval, het weekend was georganiseerd ter ere van de release omtrent zijn nieuwste boek: de moord op de commendatore (deel 2). Je leest het goed, een weekend. Terwijl de man zelf nog eens op zijn andere oor gaat liggen, hollen er aan de andere kant van de wereld een paar honderd man twee dagen van de ene naar de andere zaal op een groot schip met plattegrond in de hand, om geen minuut van het programma te missen. Zo waren er lezingen, was er een quiz -die Zufan nog bijna won ook- en werd er ingegaan op het vertalen vanuit het Japans naar het Nederlands. Onze Vlaamse held Wim Helsen (volgens de presentator Wim Hensen, en dan weer Wil Helsen, moet je net bij een cabaretier hebben), deed interviews. Hoe het ook zij: alles stond in het teken van Murakami, Japan of Jazz.

Van die muziekstijl is de schrijver een groot fan. Voordat hij schrijver werd, had hij een eigen jazzclub. De muziek speelt een belangrijke rol in zijn boeken. Het Japans schijnt een ritmische taal te zijn, waardoor er ook een Japanner was opgetrommeld. Tijdens het programma van Matthijs van Nieuwkerk en Wilfried de Jong, die ons op ludieke wijze een inkijk gaven in de jazz, werd hij naar voren geroepen. Het werd doodstil in de zaal. Ik zag Matthijs van Nieuwkerk genieten, nog voordat de jongen ook maar een klank had laten klinken.

Mijn maag trok samen. Ik stelde me voor dat de jongen geen passage uit een boek voorlas, maar ons allemaal belachelijk maakte. Dat hij vertelde dat hij Murakami eigenlijk een vreselijke schrijver vond. En dat wij daar vervolgens allemaal hard om hebben geklapt. Maar toen keek ik om me heen, en achterom. De hoe langer zijn werk, hoe beter-vrouw glunderde op haar stoel. Alsof Murakami zelf stond voor te lezen. Ik glimlachte. Plots viel het hele weekend op zijn plek, en voelde het schip ineens klein. Dit is wat idolen losmaken.

Vechten tegen de tijd

Vanmorgen, 9:02 uur. Ik schuif mijn lege bak havermout aan de kant, neem een iets te grote slok warme thee en begin. Het is de eerste keer dat ik op een gezette tijd schrijf voordat ik naar mijn werk ga. Dat is nieuw, en spannend. Mijn 32-urige werkweek is verspreid over vijf dagen, waardoor ik de meeste dagen om 11 uur begin. Ook vandaag. Op papier ziet dit er goed uit. Een ochtend bloggen, twee keer aan mijn manuscript werken en een keer hardlopen. Maar die druk doet iets met me. Ik betrap mezelf erop dat ik elke minuut op de klok inmiddels voorbij heb zien komen. Het is nu 9:22 uur.

Voelen dat de tijd wegtikt. Op mijn werk straks een fijne wetenschap, nu mijn grootste vijand. Mijn gedachten gaan naar de columnisten die ’s avonds hun stukjes naar de krant moeten sturen, vechtend tegen de deadline. Ik heb nog een uur. Een uur waarin het moet gebeuren. Door het Belgische wegennetwerk, de nieuwe namen, de dialecten, de order- en planningsprogramma’s, mijn rol als leidinggevende en het Belgische azertytoetsenbord (ik typ woorden die er best grappig uitzien, maar kqnt nog wql rqken), ben ik na het avondeten tot niet veel meer in staat dan het kijken naar een aflevering van Black Mirror of El Chapo op Netflix. Ik heb nog net geen cocktailprikkers nodig om mijn ogen open te houden.

Daarom koester ik mijn uren voor het werk en hoop ik die te kunnen gaan benutten. Want ik heb zin om weer verder te gaan met mijn manuscript. Maar voordat ik daarmee aan de slag ga, heb ik mij ingeschreven voor een onlineschrijfcursus. Een proefcursus van één week weliswaar, maar toch. Het wordt mijn allereerste schrijfcursus. Ik heb me ingeschreven omdat je leert wat het beginsel ‘show, don’t tell’ inhoudt, waar ik een aantal blogs geleden over schreef. Het sluit precies aan bij de feedback die ik heb ontvangen op mijn manuscript. De eerste van de twee opdrachten van de cursus komt morgenochtend online. Ik ben benieuwd of ik dan al wat minder vaak naar de klok kijk.

Het is nu 10:25 uur. Snel de blog online, mijn bouwvakkersbrooddoos, banaan en fles water in de tas. Als ik doortrap ben ik nog op tijd, dan maar een bezwete rug.

Tot volgende week.

Dn Hollander

De sneeuw kraakte onder mijn voeten. Ik kon me niet herinneren wanneer ik dat geluid voor het laatst had gehoord. Ik klopte op mijn jas, de vlokken dwarrelden de witte massa tegemoet. Met mijn fiets in de hand liep ik over de stoep, of wat de stoep zou moeten zijn. Ik passeerde een vrachtwagen die de helling niet opkwam. Ik schudde mijn hoofd, maar kon tegelijkertijd een glimlach niet onderdrukken. Dit verzin je niet.

Ik was op weg naar mijn werk, voor mijn eerste werkdag. Als transportplanner. Inderdaad, als transportplanner. Ik had nog weinig zicht op het aantal chauffeurs en wagens waar het bedrijf dagelijks mee te maken heeft, maar zag mezelf al heel de dag met de wegenwacht aan de lijn hangen. Of chagrijnige chauffeurs moed inpraten.

Maar eerst maar eens zelf op tijd komen, toch wel een minimale vereiste. Ik ploeterde door het centrum van Gent, en fantaseerde over ruitenwissertjes voor mijn brillenglazen. Mijn handschoenen zijn een paar graden onder nul gewend, geen sneeuw met een flinke zijwind. De pijn in mijn vingers verdreef de lichte spanning uit mijn lijf. Een minuut voordat ik moest beginnen druppelde ik het pand in.

Ik werd ingewerkt door een man die –dit in twee jaar nog nooit had meegemaakt. Ik schreef mijn notitieblokje van de Action helemaal vol, hoorde aan hoe hij chauffeurs geruststelde en de wegenwacht belde om een bestelwagen uit de sloot te trekken. Na de kerstvakantie verlaat hij het bedrijf, en ben ik zelf verantwoordelijk voor de twaalf chauffeurs.

Wat naast het leren kennen van het Belgische wegennetwerk en de plaatsnamen (Erps-Kwerps wilde ik jullie niet onthouden) misschien wel nog een grotere uitdaging wordt, is de taal. En dit had ik niet verwacht. Het West-Vlaams klinkt voor mij als een slecht werkende transistorradio. Het is dan ook een gewillig gespreksonderwerp tijdens de middagpauze, die een uur duurt. Een uur waarin ik een hoop kan leren, maar waarin mij ook een hoop wijs gemaakt kan worden. Ik heb daarom een maximum van vijf woorden per dag ingesteld. Dn Hollander staat zijn mannetje, maar moet vaak na de lunch even bijkomen. Het kwam daarom ook niet zo goed uit dat ik gisteren iets te lomp tegen de knop van de chauffage (bij uitzondering het zesde woord van de dag) aanliep, waardoor die kapot op de grond viel. Nu sloopt dn Hollander ook nog alles.

Maar ik heb het naar mijn zin, en ben benieuwd hoe het gaat als ik er straks na de kerstvakantie alleen voorsta. In het nieuwe jaar wil ik ook weer verder gaan met het herschrijven van mijn manuscript, en een ritme vinden om dit te combineren met mijn baan.

Ik wil jullie bedanken voor de support en mooie reacties het afgelopen jaar, op naar het volgende. Maar eerst gaat deze blog ook even met vakantie.

Geniet van de kerstdagen! En schol op het nieuwe jaar, want als ge er niet van drinkt, dan blijf het vol!

Vader-zoonweekend

We zijn in Sluis, een klein plaatsje in Zeeuws-Vlaanderen. Ondanks dat ik nu in Gent woon, voelt dit voor mij als geboren Goesenaar nog steeds als de overkant. De wind snijdt in onze wangen, we kruipen verder de kraag van onze jas in. Rechts is de kleine haven, waar geen boot te bekennen is. We duiken een restaurant in, en onderzoeken de kaart op een manier alsof we onze laatste centen gaan uitgeven. Als hoofdgerecht kies ik de vistrio, en bestel verschillende soorten tapenade bij het mandje brood. Ik sla het menu dicht en fantaseer over een stukje sliptong, als ik plotseling de man tegenover mij verschrikt aankijk. Zijn hand gaat langs de bitterballen en het vleesplankje. Zijn vinger blijft hangen en hij kijkt de serveerster aan alsof hij de soep van de dag bestelt. Als voorgerecht wil ik graag een portie oude kaas.

Alles in mij wist op dat moment: ik ben met mijn vader op stap. Ik was er even compleet door verrast. Maar als je mij een week daarvoor op de man af had gevraagd wie dat als voorgerecht zou kunnen bestellen, had ik toch meteen aan mijn vader moeten denken. Een fijne wetenschap.

Eén keer per jaar trekken we er samen op uit. We doen dit sinds mijn geboorte, dus dit was ons 28e vader-zoonweekend. Toen ik een kleine jongen was gingen we kamperen en wandelde mijn vader door het bos terwijl ik op zijn rug zat. Later in mijn jeugdjaren mocht ik meebeslissen. Een rondleiding in de Amsterdam Arena, een avond naar het Flevo Festival, een wedstrijd van het Nederlands elftal, verdwalen met een bootje in de Biesbosch. Of het bezoek aan een klooster, waar tijdens het ontbijt niet gepraat mocht worden. Toen ik aan de monnik tegenover mij om de pindakaas vroeg, kneep mijn vader in mijn bovenbeen. Het zijn kraakheldere herinneringen, die na de blokjes kaas even ter sprake kwamen.

Misschien gingen we dat jaar wel bewust naar een klooster, zodat ik het even niet over die nieuwste spits van Ajax, of het laatste album van M.I.C. kon hebben. Hoe anders was dat afgelopen vrijdag, waar het restaurant langzaam leegstroomde. We hadden het over de teloorgang van Feyenoord, zijn favoriete club. Maar ook over het geloof, waar we met respect naar elkaars visie luisterden. De serveerster vroeg uiteindelijk vriendelijk of we wilden afrekenen, zodat ze het bordje op de deur kon omdraaien.

Na de korte strandwandeling in Cadzand op zaterdagmiddag -niet te doen die wind- dronken we een kop warme chocomel. Het moment dat we nadachten over het komende jaar. Mijn vader is degene die de verschillende versies van mijn manuscript nu vier keer heeft uitgeprint, zonder ook maar een letter te lezen. Ik heb beloofd dat mijn boek bij het volgende vader-zoonweekend sowieso bij ons thuis in de kast staat.

Bij hem thuis, bedoel ik.