Speeddate met een baksteen

Mijn hand trilde toen ik de baksteen losliet. Ik ging aan een klein tafeltje zitten, waar een vrouw met een naambordje op mij zat te wachten. Ook ik had een naambordje op mijn borst geplakt. Anderhalve meter naast ons stond al het volgende tafeltje. We schudden elkaars hand, maar tastten vooral af. Een dof geluid aan de onderkant van de tafel verraadde dat mijn knie trilde. De speeddate was begonnen.

Ik vertelde alles wat ik leuk vind aan mijn baksteen. Dat die zowel luchtige bestanddelen bevat, als zwaardere donkere korrels. Dat ik maanden in de weer ben geweest met de klei, om de juiste vorm te vinden. En dat dit nog maar het begin is van het huis dat de naam manuscript zal gaan dragen. Ik vertelde over tekeningen van dit huis, die al jaren in mijn hoofd zitten. Over eerste schetsen die afgelopen november zijn gemaakt. Maar dat de rest nog te los zand is om al te kunnen overhandigen.

Ze knikte op de momenten dat ik daarop hoopte. Dat ik het nodig had. Ik keek haar onderzoekend aan, speurend naar signalen. Signalen om door te gaan, meer te vertellen. Of om mijn mond te houden, en een vraag te stellen. Ik had alles te verliezen, zij helemaal niets. Alsof ze thuis gewoon een man en twee kinderen had.

Ik ging met mijn handen over de steen, om mijn woorden kracht bij te zetten. Maar ik sprak een zin uit die totaal niet liep. Er brokkelde wat af. Meteen die onzekerheid. Zou ze het nog wel leuk vinden? vroeg ik mij af. Misschien kon ik de baksteen maar beter lekker thuis bewaren, om in een gekke bui er een steak op te bakken. Zonder dat iemand het zou zien.

Maar er was geen weg meer terug. Ik moest wel doorgaan. Want als ik haar kon overtuigen van de kwaliteit van de eerste steen, zou ze hopelijk ook gaan geloven in het huis. Een huis dat een plekje zou kunnen krijgen in haar uitgeversstraat.

Ik keek op de klok. Het was tijd voor die allesbepalende vraag: zullen we contact houden? Ik durfde hem niet te stellen. Bang om af te gaan. De stilte stelde daarom die vraag. En ik kreeg antwoord. Dat wilde ze. Ze vertelde dat ze gelooft in het uiteindelijke huis, en is benieuwd naar de kracht van de steen.

Wat was ik blij. Trots belde ik meteen mijn vriendin, om te vertellen over de date. Nu wacht ik in spanning af. Precies zoals de verhouding vaak ligt. Of er een tweede date komt? Dat hoor ik hopelijk volgende week. En jij ook.

Van stofdoek naar baksteen

Ik voelde haar borsten in mijn nek. Heel even kuste haar kin mijn hoofd. Haar ontblote armen lagen op mijn armen. Met beide handen hield ze mijn polsen vast. Zo stond de cursusleidster achter mij, lichtelijk voorovergebogen, terwijl ik op een stoel zat. Ik doe het nog een keer voor, zei ze.

Ik deed het niet goed. Slecht zelfs. Op wat voor manier we samen het microvezeldoekje ook uitwrongen, mijn polsen zaten te veel op slot. De truc is om de polsen zo min mogelijk te belasten. Ze bleef mij moed inpraten dat het de volgende keer vast zou lukken, maar ik was mij continu bewust van de warmte in mijn nek. Van haar armen. Haar verrassend ruwe vingers. Ik was weer volledig ondergedompeld in de draaikolk, snakkend naar adem.

Zuurstoftekort vertaalde zich naar zweet. Ik kreeg klamme handen. Mijn rug plakte tegen de leuning. Nog een keer, sprak ze liefdevol uit. Ze fluisterde het bijna in mijn oor. Er gebeurde iets in mijn gezicht. Alsof ik verbrand was door de eerste lentezon tijdens de lunch. Zo rood was mijn kop. Hoe ik dat wist? Dat werd gewoon uitgesproken door mijn overbuurvrouw. Sommige Vlamingen zijn wel direct.

Het was gelukkig het laatste trainingsonderdeel. De kennismaking met deze wereld bleek onverwacht een pittige. Kort daarop volgde een andere: mijn eerste onderdompeling in de literaire wereld.

Ik had mij ingeschreven voor een schrijfdag op 25 maart in Antwerpen. Gespannen reed ik ernaartoe, onzekerheid maakte zich meester. Is mijn jacht eigenlijk wel realistisch? Zomaar een roman schrijven, zonder voorbereiding. Ik was doodsbang dat tijdens de lezingen en interviews met voor mij onbekende mensen dit gevoel versterkt zou worden.

Maar ik ging toch. Want ik schrijf niet voor mijn eigen boekenkast. Ik was geselecteerd om te mogen pitchen bij een uitgever. Een twintigtal pagina’s van mijn manuscript droeg ik de hele dag als een baksteen in mijn rugzak. Maar wel een baksteen waar ik in geloof. Tegen vieren plofte die op tafel.

Hoe mij dat verging? Over zeven nachten is het weer woensdag!

De draaikolk

De cursusleidster hield een kuismiddel omhoog. Dit is dus echt het beste wat je kunt gebruiken. Super ecologisch, heel duurzaam. Echt een aanrader. Ik heb hem al drie jaar, en moet je eens kijken. Nog maar voor de helft leeg! De fles ging rond, we mochten er allemaal even aan ruiken. Ja, echt lekker zeg. Hele natuurlijke geur. Ik schrok toen ik het zei, en gaf de fles snel door. Mijn buurvrouw knikte instemmend. Op haar verzoek had ik even daarvoor de dop van haar gesealde flesje gedraaid. Maar toch begon alle mannelijkheid langzaam weg te vloeien.

Dit gaat me niet gebeuren, dacht ik. Ik probeerde ertegen te vechten. Tijdens het gekakel maakte ik een strijdplan. Met humor als sterkste wapen. Zodra een moment zich voordeed zou ik toeslaan. Een doffe klap haalde me uit mijn gedachten. De cursusleidster zette een bak met schoonmaakmiddelen op tafel. Voor het eerst deze morgen was het helemaal stil. We schoven wat naar voren, en maakten voorzichtig kennis met de bak des doods. Heel interessant om te zien hoeveel slechte schoonmaakproducten er zijn. Maar dames, en heer, welke is nou echt de slechtste? onderbrak de vrouw de stilte. We hingen nu met zijn allen boven de bak. Graaiend naar een antwoord. Even twijfelde ik, maar ik pakte mijn moment. Voordat iemand antwoord had gegeven op haar vraag, hield ik de ecologische fles in de lucht. Deze?

Er werd niet gelachen. Doodse stilte.

Nee, daar heb ik het net over gehad. Kijk nog maar even verder Jireël.

Oké.

Ik was nu voorgoed terecht gekomen in de draaikolk. Een draaikolk met acht vrouwen. Ik had geprobeerd tegen de richting in te zwemmen. Maar tevergeefs. Dus bleef ik aan flessen schoonmaakmiddelen ruiken. En voelen aan verschillende stoffen die rondgingen. Alleen katoen kon ik definiëren. Ik opperde nog een keer kasjmier. Maar satijn is toch echt wat anders.

Huh, ben jij poetsman? vroeg een van mijn cursusgenoten tijdens de kennismaking. Het leven dicht je verschillende identiteiten toe. Deze had ik niet verwacht te gaan dragen. Maar op maandag en dinsdag is dat wat ik voornamelijk ben. Noodzakelijk voor de jacht. Dat ook dit een worsteling zou zijn? Daar had ik geen rekening mee gehouden.

Ik keek op de klok. Twaalf uur. Bijna op de helft. Ik snakte naar het einde. Nee, hunkerde. Al mijn mannelijkheid dacht ik al verloren te zijn. Hoe naïef.

Tot volgende week.

 

De slip

Een slipje. Knalrood. Zo eentje van kant, waar je doorheen kunt kijken. Om het nog spannender te maken. Of zoiets. Ik hield het aan beide uiteinden omhoog en keek ernaar.

Mijn eerste werkdag was begonnen. De mevrouw van het slipje had mij even daarvoor ontvangen in haar huis. Of beter gezegd, binnengelaten. Met een vluchtige handdruk. Ze bleek binnenhuisarchitect, dus dat verklaart de voordeur zonder deurklink, en de hal waar alleen een spierwitte tafel staat. Zonder stoel. Na een rondleiding begon ik bij de in verhouding tot de rest van de woning belachelijk kleine was- en strijkkamer. Er stonden drie volle wasmanden op mij te wachten. En toen trof het mij. Het felle rood prikte zowat in mijn ogen. Langzaam maakten mijn handen contact met misschien wel het meest intieme item van een vrouw. Een vrouw die ik nog maar kort daarvoor de hand had geschud. Mijn gedachten brachten me op plekken waar ik helemaal niet wilde zijn. Ik heb andere introducties bij nieuwe werkgevers gekend. Ik vouwde het maar op, voor zover je slipjes kunt opvouwen.

Het is precies het tegenovergestelde van je had erbij moeten zijn. Erover vertellen is leuker dan het moment zelf. Op dat moment voelde ik me klein. Heel klein. Het zal ook wel wennen zijn, dacht ik. Een dikkere huid krijgen, wordt er dan gezegd. Maar enkele strijkuren later werd er gewoon weer ongenadig hard doorheen geprikt. In een gang zo groot als een spelerstunnel maakte ik op mijn knieën de wielen van een buggy schoon, toen er twee werkmannen passeerden die een nieuw toilet kwamen installeren. Het moment om op te staan en net te doen of ik daar ook woonde was voorbij. Dus bleef ik maar zitten en pulkte het laatste stukje grond uit het profiel van een zijwieltje. Ik had het niveau van een dwerg bereikt. Ze hadden mij wel meteen kunnen doorspoelen.

Het hoort er blijkbaar allemaal bij als schoonmaker. Of, zoals mijn officiële titel luidt: exclusieve huishoudhulp. Gelukkig zeg. Staat dat in ieder geval net iets lekkerder op mijn cv. Dat exclusieve zit hem trouwens in de joekels van huizen die ik kuis. Het zijn van die huizen waarbij je elkaar aanstoot wanneer je ze met de auto passeert. Om pas enkele honderden meters verder de volgende te aanschouwen. Met oprijlanen zo lang als de Maliebaan.

Dat soort huizen hebben blijkbaar bijzondere vloeren. Met welk middel dweil je keramische blauwstenen tegels? En duurzaam geolied hout? Niks rustig inwerken op de eerste dag. Nee, dit waren meteen al pittige dilemma’s. Gelukkig viel kort daarna onderstaande uitnodiging voor een cursusdag op de mat.

Eerst aarzelde ik. Hier ga ik dus echt niet naartoe. Maar ik ging toch.

Tot volgende week.

Open huis

De sollicitatie was dus in mijn eigen huis. Ik fronste toen ik dit hoorde, zoals een meisje kan fronsen wanneer een jongen voorstelt om de eerste date thuis plaats te laten vinden. Maar in tegenstelling tot het meisje had ik geen keus. Dus had ik mijn huis tot in de puntjes gekuist.

In mijn veel te schone woning staarde ik enkele minuten voor het gesprek onrustig uit het raam. Een onrust die misschien nog wel het best te vergelijken is met het wachten op een bestelde pizza. Alleen dan keer tien. Ik ging mij ineens afvragen of ik schoenen aan ging trekken, of de verwarming niet te hoog stond. Of de lamp in de hoek ook aan moest. Dat soort dingen. Een kruimeltje werd niet van de eettafel op de grond geveegd- nee, ik maakte het topje van mijn wijsvinger nat en liet het kruimeltje eraan plakken, en liep zo naar de prullenbak. Op dat moment kon ik mijzelf eigenlijk niet meer serieus nemen. En dat is vlak voor een sollicitatiegesprek geen prettige constatering.

Toen ging de bel. Ik versnelde mijn pas. Waarom weet ik niet, want het was geen pizzakoerier die zomaar weer zou kunnen vertrekken. Het dilemma van de schoenen loste zichzelf op. Degene die de sollicitatie afnam (jammer dat daar geen woord voor is), stond niet aan mijn eigen voordeur, maar aan de deur van ons appartementencomplex. Normaliter een halve minuut lopen. Ruim binnen dit tijdsframe opende ik de buitendeur en begroette de vrouw hartelijk. Ik vroeg of ze het gemakkelijk had kunnen vinden. Iets met omgedraaide rollen. Daarna bleef het 28 seconden pijnlijk stil.

Mijn eigen voordeur voelde als een bevrijding. Ik hield de leiding, en probeerde zo nonchalant mogelijk duidelijk te maken waar ze kon gaan zitten. Het kwam er veel te geforceerd uit. Wat drinken hoefde ze niet. Blijkbaar had ik de verwarming te laag staan, want de felroze jas bleef tijdens het hele gesprek netjes om de schouders. In mijn ooghoeken zag ik haar, toen ze gebruik dacht te maken van een onbewaakt moment, de kamer doorkijken. Als een havik op zoek naar een stoffige prooi. Juist op dat moment haalde ik nog een kruimeltje van tafel.

Kan je strijken? werd mij gevraagd. De ervaring leert dat het tijdens een sollicitatiegesprek beter is om even na te denken, in plaats van in het luchtledige te gaan babbelen. Dit was zo’n moeilijke vraag. Ik nam mijn tijd.

Blijkbaar volstond het antwoord. Na het ondertekenen van veertien formulieren was ik officieel aangenomen. Bureaucratie kent ook in België geen grenzen. Enkele dagen later ging ik op weg naar mijn eerste adres. Wederom lichtelijk gespannen.

Hoe mij dat verging? Ha, dat lees je volgende week.